Wie wint?

‘Eindelijk een keer een spel waarbij iemand kan winnen!’ roept Floris opgelucht. De keuze-activiteit die ik deze ochtend aanbied is letterbingo, en zoals iedereen weet gaat bingo erover wie als eerste een rijtje of volle kaart heeft. Die wint. 

Ik kijk Floris aan. ‘Klopt, dat doen we hier op school niet zo heel vaak hè?’ Een spel waarbij één iemand kan winnen. ‘Weten jullie ook waarom?’ Nava weet het wel: ‘Omdat er dan heel veel anderen verdrietig zijn!’ Josefien voegt nog toe: ;Ja, dan is het maar leuk voor één iemand!’ We kletsen nog een tijdje over winnen, en over hoe we bingo nou leuk kunnen maken voor iederéén. Elkaar helpen, wordt genoemd. Steeds als iemand bingo heeft, blij zijn voor diegene. Spelen in teams; jongere kinderen samen met een ouder kind. Maar uiteindelijk zal er toch één zijn met de eerste volle kaart. ‘Kunnen we dan ook iets winnen?’ hoopt Floris. Toevallig valt er vandaag zowaar iets te winnen: we kregen vijf houten tetris-puzzels en ééntje is wel genoeg om op school te houden, dus er kunnen vier puzzels worden verdeeld over de winnaars.

Dan draai ik de eerste letters om en dat gaat goed. De kinderen helpen elkaar, zijn blij voor de ander als die een dubbele kan afstrepen, en we kijken vol spanning uit naar de volgende letter. Iedereen juicht wanneer Floris als eerste bingo heeft en na controle blijkt dat het helemaal klopt.

Nu wordt het echt spannend: de strijd om de eerste volle kaart. Floris ligt duidelijk op kop, hij hoeft al heel snel nog maar één letter. Maar sommige andere kinderen hebben nog geen één keer een heel rijtje kunnen afstrepen. De sfeer begint om te slaan; Josefien wordt ongeduldig, Jinne haakt af van de spanning, Zeger roept in zijn verwarring steeds ‘kwartet!’ in plaats van ‘bingo’, en bij Nava l open de tranen over haar wangen als zij ein-de-lijk ook een rijtje kan afstrepen. Tenslotte is er een dubbele win: Rosalie en Sepp hebben tegelijk bingo. Nava wordt derde. Floris krijgt de vierde puzzel, omdat hij als eerste een rijtje had.

De rest van de kinderen zit er enigszins beteuterd bij. En de kinderen die wel iets hebben gewonnen, voelen zich opeens ook een beetje minder euforisch. ‘Wie heeft er nu niets gewonnen en wil toch ook graag iets krijgen?’ vraag ik. Josefien komt meteen naast me zitten. Inmiddels geven een aantal winnaars hun puzzels al door aan schoolgenootjes die teleurgesteld zijn. ‘Neem jij hem maar.’ 

Josefien kijkt me ondertussen verwachtingsvol aan. ‘Wat zou jij willen krijgen?’ Daar moet ze even over nadenken. ‘Een glitterdiertje?’ probeert ze. Maar die hebben we niet. We hebben nog wél een hele tas vol moestuinmaatjes. Daar heeft Josefien ook wel oren naar, en samen met haar vriendinnen zoekt ze er een paar uit. De rest wordt verdeeld over andere gegadigden.

Natuurlijk geven we op onze school de voorkeur aan coöperatieve spellen, waarbij iedereen zich inzet voor elkaar en waar één gezamenlijk doel wordt bereikt. Maar willen winnen voor jezelf, en de bijbehorende spanning, is ook heel menselijk. Hoe zorg je ervoor dat je niet naast je schoenen gaat lopen als je wint en oog blijft houden voor de ander, en ook dat je je rug recht kunt houden als je verliest? Dat is levenskunst, en dat is wat we op school elke dag met elkaar beoefenen. Zodat er na een competitief spel als bingo niet slechts één eindbaas door de school loopt, maar er allemáál als winnaars uitkomen – of dat nu is met een tetrispuzzel, een moestuinmaatje of eenvoudigweg met een gevuld hart.

Geschreven door Anne van Dijk

« »

© 2021 - Democratisch Onderwijs

Disclaimer | Privacy | Reactiebeleid | Schrijf mee | Over ons | Contact